One day I wrote her name upon the strand,
But came the waves and washèd it away:
Again I wrote it with a second hand,
But came the tide and made my pains his prey.
Vain man (said she) that dost in vain assay
A mortal thing so to immortalise;
For I myself shall like to this decay,
And eke my name be wipèd out likewise.
Not so (quod I); let baser things devise
To die in dust, but you shall live by fame;
My verse your virtues rare shall eternise,
And in the heavens write your glorious name:
Where, when as Death shall all the world subdue,
Our love shall live, and later life renew.
Ik schreef jouw Naam zorgvuldig in het Zand Toen kwam de Vloed en nam het met zich mee Opnieuw deed ik een poging met mijn hand Maar door het Getij verdween het weer in Zee.
Ijdele Man (sprak zij) wat wil jij toch proberen? Sterfelijke dingen zo Onsterfelijk te maken, Je zult op deze wereld nog veel moeten leren, Ook jullie naam zal straks verloren raken.
Zo niet (riep ik); Laat alle aardse zaken Vergaan tot stof, jouw naam zal altijd blijven Mijn lied zal jouw deugd eeuwig maken, En jouw naam op de hemelmuren schrijven.
Hier heeft de dood altijd het laatste woord Maar onze liefde leeft, en brengt nieuw leven voort.